In deze reeks artikelen schrijven verschillende leden van Schaakvereniging Voorburg. Diverse onderwerpen komen aan de orde. Van "Kunst en schaken"  tot de vraag "Waarom schaken we eigenlijk?". 

Kerstmijmering

Kerst is bij uitstek een tijd van reflectie. Samen met familie of vrienden genieten van de jaarlijkse kerstmaaltijd, onderwijl kijkend naar de traditionele Kerstfilms. Alweer een jaar voorbij. Op radio en televisie wordt uitgebreid teruggekeken op het afgelopen jaar. Dit versterkt het gevoel van nostalgie. Zo nadenkend komt je vanzelf bij de vraag, welk doel heeft dit alles.

Bij schaken is het doel duidelijk. De partij winnen. De vijandelijke koning moet mat. Als winnen lastig blijkt, dan is het toch op zijn minst zaak om niet te verliezen. Het doel is soms lastig te bereiken, maar in ieder geval helder. Dat maakt schaken, in ieder geval in vergelijking met het gewone leven, vaak een stuk makkelijker.

Of is dit toch niet alles? Soms win je een partij, maar blijft toch een vervelend gevoel knagen. Je stond slechter, maar je tegenstander maakte een domme fout. Aam de andere kant kan je soms een partij verliezen en toch tevreden zijn. Na een spannende strijd verliezen geeft meer bevrediging dan met een bekende openingsval winnen. Het zelf denken of in ieder geval zelf beleven van de partij is minstens even belangrijk voor voldoening als de winst.

Doen is dus belangrijk Hier raken schaken en het ons dagelijks leven elkaar weer. Ik weet niet of ons leven uiteindelijk een doel heeft. Feit is dat we leven en dat dit leven zin krijgt door dingen te doen of juist te laten. In die zin is het leven net schaken. Bij schaken heb je meer plezier als je even niet denkt aan winst of verlies, maar gewoon geniet van de stelling. Waarschijnlijk ben je ook minder gestrest, waardoor je sterker gaat schaken. Ook in het echte leven is het soms beter even niet aan een doel te denken maar om je heen te kijken, adem te halen en te genieten van het moment.

Daarmee komen we weer terug bij de feestdagen. Wat je precies doet tijdens de feestdagen is eigenlijk niet zo belangrijk. Sommigen gaan eten in een chic 2-sterren restaurant, anderen houden het bij de McDonalds. Sommigen hebben een moeilijk jaar achter de rug en zijn niet echt in een feeststemming. Belangrijk is dat je even stilstaat, om je heen kijkt en het moment beleeft. Daarna ben je weer een stuk frisser voor het nieuwe jaar. Net als bij schaken eigenlijk. Even opstaan, om je heen kijken en een frisse blik op de stelling werpen. De feestdagen kunnen – als het goed is – ook een dergelijk rustmoment bieden.

Ik wens jullie allen een vrolijk Kerstfeest en een voorspoedig 2019!

 

Schrijf reactie (0 Reacties)

Remise aanbod

Een voor andere sporters vreemd element in het schaken is dat je remise (een gelijk spel) kunt aanbieden. Als je denkt dat een stelling bij normaal spel niet meer kan worden gewonnen door één van beide partijen, dan kan je een gelijk spel voorstellen. Neemt je tegenstander dit aan, dan is het remise. Goed toegepast is het remiseaanbod een zeer nuttige regel in het schaakspel. Het schaken is spelregel-technisch remise als geen van beide een matpotentieel meer heeft, een koning pat staat, door herhaling van zetten of doordat 50 zetten lang geen pion is gezet of geen stuk is geslagen. Er zijn stellingen die volkomen gelijk staan, maar waarbij het lang kan duren voordat het echt remise is. In dat geval biedt een remiseaanbod uitkomst. Het voorkomt dat een partij moet worden voorzien van een reeks loze zetten en als een nachtkaars uitgaat.

Een regel geeft mogelijkheden tot misbruik. Regeltechnisch is het niet mogelijk om al voor het begin van een partij remise aan te bieden. Je moet namelijk eerst een zet doen, en dan mag je pas remise aanbieden. Natuurlijk is dit niet de bedoeling. Het is toegestaan een ondergrens voor het aantal zetten in te stellen (bijvoorbeeld 20) om dit soort salonremises te voorkomen (voor de liefhebbers, artikel 9 van de spelregels lid 1. Dit heeft niet zoveel zin, omdat je dan bijvoorbeeld altijd een openingsvariant kan spelen die rechtstreeks tot een remisestelling leidt. Als beide spelers niet willen schaken, is er geen kruit tegen gewassen.

Naast formele regels heb je een soort remise-aanbied-etiquette. Verder zou je de tegenstander natuurlijk kunnen irriteren door vanaf zet 1 bij iedere zet die je doet remise aan te bieden. Dit is natuurlijk niet netjes. Dit specifieke geval valt ook onder hinderen van de tegenstander en is niet toegestaan (artikel 11, lid 5). Niet nodig te vermelden dat het in de praktijk best lastig is te bepalen wanneer een remise aanbod terecht of hinderlijk is. Wat ook een beetje “not done” is, is remise aanbieden in verloren stelling. Dit wordt gezien als hetzij kinderachtig, hetzij een beetje valsspelen. Het is ook gepast om, als je tegen een sterkere speler speelt, te wachten totdat deze zelf remise aanbiedt of totdat je zelf duidelijk beter staat. Ook dit punt biedt natuurlijk ruimte voor interpretatieverschillen.

Een remiseaanbod doen en aannemen zijn zetten in het schaakspel. Binnen de grenzen van het betamelijke kan je er natuurlijk mee spelen. Je staat beter, maar hebt weinig tijd meer. Je staat misschien wel beter, maar kan geen goed plan vinden. Biedt je remise aan en zo ja, wanneer. Hier komt ook psychologie bij kijken. Het kan handig zijn een remise aanbod te doen, juist als je een klein dreiginkje in de stelling hebt ingebouwd. Net als met andere zetten, kun je ook met een remiseaanbod fouten maken. He besluit remise aan te nemen, en thuis, rustig aan het bord gezeten, blijk je veel beter te staan dan gedacht. Te angstig geweest, kan je dan slechts denken. Een remiseaanbod moet geen veiligheidspak worden.

Schrijf reactie (0 Reacties)

Organisatie

De woorden groep, club en bond roepen bij een schaker niet meteen warme gevoelens op. Éen tegenstander is genoeg, waarom zo je meer mensen opzoeken. Dat leidt maar af van de strijd. Een schaker broedt in zijn eentje zijn plannen uit in de studeerkamer. Schakers zijn individualisten. Toch is ook voor het schaken een goed georganiseerde sportbond onontbeerlijk.

Een schaakbond maakt allereerst de regionale en nationale competitie tussen schakers gemakkelijker. Dit geldt natuurlijk allereerst voor de competitie tussen clubs, maar ook voor die tussen spelers onderling. In Nederland is een schaker die lid wordt van een club automatisch lid van de regionale en de Nationale schaakbond. Daarmee ben je eigenlijk ook gelijk aangesloten bij de FIDE, e wereldschaakbod. Dit houdt bijvoorbeeld in dat als je een paar partijen in een officieel toernooi speelt, je sterkte gelijk nationaal en wereldwijd bekend is. Nuttig voor als je elders in het land een toernooi wil spelen. Een bond is natuurlijk ook belangrijk voor de coördinatie van de spelregels, al is dit bij het schaken iets minder urgent omdat de regels redelijk zijn uitgekristalliseerd.

Organisatie in een bond heeft ook voordelen als we het schaken willen populariseren en bij het aantrekken van de jeugd. In Nederland is er een vrij stevige traditie van het schaken op school voor de jeugd. Bovendien is er een stappenplan ontwikkeld om beter te leren schaken. Je kan makkelijk zien hoe sterk een schaker is, door te refereren aan het stappenplan. Makkelijk als je les wilt geven. Reclame om schaken te promoten kan ook groter en effectiever worden aangepakt binnen een bond. Promotiemateriaal kost over het algemeen veel geld. Bovendien kan je ook deze campagnes weer coördineren binnen een bond.

Helaas komen met de grotere organisatie ook de nadelen van schaalvergroting aan het licht. Er zijn verschillen van inzicht tussen grote en kleine clubs, tussen landelijke en stedelijke regio’s, tussen huis- en topschakers. Waar moet een bond zijn aandacht primair op richten? Omdat het onmogelijk is aan alle wensen te voldoen, voelen sommige schakers zich niet vertegenwoordigd door de bond. Dit leidt weer tot twijfels of een bond het geld wel waard is. Bij dit soort belangentegenstellingen horen onvermijdelijk ook politieke spelletjes en intriges, wat de aantrekkelijkheid niet verhoogd.

Een goed georganiseerde bond is een groot goed. In Nederland is de organisatie over het algemeen goed geregeld en daar plukken we, ik denk ook met het schaken, vaak de vruchten van. De prestaties zijn veel beter dan je op grond van het inwonertal zou vermoeden. Als je ontevreden bent over het presteren van de bond, dan zal je in de eerste plaats moeten proberen de dingen binnen de organisatie te verbeteren. Om op wat serieuzer niveau te schaken, laat staan om schaken te promoten is toch een groter geheel nodig. Er zal moeten worden samen gewerkt. Ook een schaker kan het niet alleen.

Schrijf reactie (0 Reacties)

Schaken en politiek

Dit jaar is het 100 jaar geleden dat de eerste wereldoorlog werd beëindigd. Een enorme slachting die het einde vormde van een tijdperk waarin Europese landen de wereld beheersten. Hoewel ook de schaakwereld werd getroffen door deze ramp, heb ik toch de indruk dat de tweede wereldoorlog een grotere breuk vormt. Voor 1945 was schaken toch vooral een zaak van individuen, vooral bij de matches om het wereldkampioenschap. Na 1945 een geregelde cyclus, met natuurlijk een opvallende dominantie van de Sovjet Unie.

Het is opvallend dat politieke dominantie en dominantie op het schaakbord vaak samen gaan. In de 19e eeuw speelden Engelse en vooral Duitse schakers als Andersen, Lasker en Tarrasch een zeer belangrijke rol. Na de 2e wereldoorlog waren het lange tijd de Russen die dominant waren. Van 1952 tot en met 2002 won de USSR slechts 2 keer niet de olympiade, waarbij 1 keer werd veroorzaakt doordat zij wegens een boycot niet meededen. De laatste drie keer werd de prijs betwist door China en de Verenigde Staten.

Politiek machtige landen zijn vaak grote landen met veel inwoners of hebben een sterke economie. Daardoor zijn meer potentiele talenten beschikbaar, terwijl ook de middelen aanwezig zijn om sport te stimuleren. Daar komt bij dat de politiek prestigieuze sporten soms ook graag wil stimuleren. Al deze factoren stimuleren het verband tussen sportieve en politieke dominantie. Natuurlijk is zo´n verband niet éénduidig. Culturele factoren spelen natuurlijk ook een rol. In de Verenigde Staten is schaken geen grote nationale sport. Door individuele supertalenten en enthousiaste individuen is dit toch een sterk schaakland. In de USSR is het schaken cultureel ingebed en daarnaast ook politiek sterk gestimuleerd. In China zie je denk ik ongeveer hetzelfde.

Het is natuurlijk vlijend als je sport door de politiek belangrijk wordt gevonden, maar verder is het geen onverdeelde zegen. In de koude oorlog leidde het tot allerlei onfrisse taferelen en boycots van politieke dissidenten. Een zekere afstand is wenselijk. Mensen moeten van schaken houden om het spel, niet omdat het macht of slimheid uitstraalt.

Schrijf reactie (0 Reacties)

Terug in de tijd

Zittend voor de televisie, raakte ik in een nostalgische en mijmerende stemming. Een documentaire (Closing gambit: Korchnoi versus Karpov and the Gremlin) over de WK-match tussen Anatoly Karpov en Victor Korchnoi in 1978 werd uitgezonden. Een tijd dichtbij, en toch zo ver weg. Een tijd van de koude oorlog tussen de communistische landen onder leiding van de Sovjet Unie en de Westerse landen onder leiding van de Verenigde Staten. Een tijd waarin de WK-matches, juist vanwege de politieke lading, wereldnieuws waren. Een tijd waarin de winnaar van de WK-match schaken meer verdiende dan de winnaar van het tennistoernooi Wimbledon. Het verleden is een ander land, dat blijkt maar weer.

De match tussen Karpov en Korchnoi had alles wat een sportwedstrijd aantrekkelijk maakt. Twee schakers met een verschillend temperament en speelstijl. Korchnoi, de vechter, creatief en op zijn best in moeilijke en chaotische stellingen. Karpov, klinisch, berekenend en methodisch. Kortsnoij, naar het westen gevlucht en met een klein team opereren. Karpov: de “comming man” en de lieveling van de machthebbers, ondersteund door een heel schaakapparaat. Daarbij een bloedstollend scoreverloop. Karpov stond met 5-2 voor, maar Korchnoi wist op te halen tot 5-5. Uiteindelijk wist Karpov met 6-5 te winnen.

De match werd niet alleen op maar ook naast het schaakbord gespeeld. Psychologische oorlog speelde een grote rol. Protesten over de gebruikte vlag, kleinzielige dingen als het elkaar geen hand willen geven, protesten over de kleur van de bekertjes Yoghurt, de inzet van parapsychologen en Boeddhistische monniken: alles wordt gebruikt om te winnen. Belangrijke functionarissen in de schaakbond zijn ook KGB-agent. In de documentaire komen een groot aantal topschakers aan het woord (Kasparov, Anand, Kramnik, Timman, Short, om er maar enkele te noemen). Hun commentaar laat goed zien hoe belangrijk het psychologische aspect in een schaakmatch is. Schijnbaar kinderachtige dingen kunnen een speler behoorlijk uit zijn evenwicht brengen.

De documentaire had vaart en was boeiend, maar gaandeweg voelde ik ook wat ontevredenheid opborrelen. Allereerst dacht ik “wat zou een niet-schaker hier nou van vinden”. Voor de inzet en de moeilijkheden van Korchnoi (hij groeide op in Leningrad, toen die stad werd belegerd door de Duitsers in WOII) heb je alle sympathie, maar hij komt ook over als een ruziezoeker met onaangename trekjes. Na de match verlaat de leider van zijn delegatie in ruzieachtige sfeer zijn team. Veel van de mensen die worden geïnterviewd behoren tot het Westerse kamp. We horen verdachtmakingen richting het Russische kamp en Karpov. Karpov spreekt dat tegen. Hoe het nu echt zit, is voor de kijker niet na te gaan. Uit de documentaire rijst een beeld op van een wereld van ruziezoekers, vol met politieke en sportieve machinaties.

Het slot van de documentaire is voor de schaakliefhebber het mooist. Korchnoi speelt na het WK gelijk de olympiade en haalt in dat toernooi een geweldige score. Wat een schaker! Korchnoi had als mens onaangename trekjes, maar hij hield van het schaken. Met al zijn energie zette hij zich aan een schaakpartij. Een voorbeeld voor iedere schaker. Bovendien bleek dat de antagonisten weer nader tot elkaar kwamen als de strijd was geluwd. Karpov en Kortsnoi werden geen vrienden, maar speelden wel in hetzelfde team en speelden samen bridget. Fijn voor de schaker. Als de politieke en persoonlijke spanningen verminderen, overwint de liefde voor het schaakspel.

Schrijf reactie (0 Reacties)

Frans Hals

Op onverwachte momenten dwalen mijn gedachten af naar het schaken. Dit overkwam mij toen ik een tentoonstelling van de schilder Frans Hals (1582-1666) bezocht. Frans Hals is een grote inspiratiebron geweest voor latere moderne schilders als Vincent van Gogh, Edouard Manet (1832-1883) en Claude Monet (1840-1926). Soms ging dit zelfs zover dat het werk van Fans Hals letterlijk werd gekopieerd. Hierdoor ging ik denken in welke mate dit in het schaken het geval. Kopiëren wij ook de oude meesters?

Ik ben al liefhebber van het naspelen van oude partijen zolang ik schaak. Vooral partijen tussen 1850 en 1914 hebben voor mij een grote aantrekkingskracht. Dit zal deels romantiek zijn. Bij het zien van namen als Nimzowitz, Steinitz, Staunton, Lasker, Tarrasch en Rubinstein zie je automatisch rokerige chique salons voor je. Het heeft een grote aantrekkingskracht de zetten van 100 jaar geleden letterlijk na te kunnen spelen. Hopelijk kan er nog een keer een mooie documentaire over de historische partijen worden gemaakt.

Het naspelen van oude partijen is voor een schaker ontzettend leerzaam. Eigenlijk kan je niet leren schaken zonder partijen van anderen en sterkere spelers na te spelen. Je leert klassieke combinaties kennen en doet strategische ideeën op om bepaalde stellingen te spelen. In dat opzicht zijn partijen van de oude meesters zeer nuttig. Natuurlijk kun je ook veel leren van de partijen van Carlssen en Giri, maar deze worden toch vaak erg ingewikkeld voor de huis, tuin en keukenschaker. In de partijen van Paul Morphy zie je waarom ontwikkeling van de stukken belangrijk is en in de partijen van Steinitz de nadelen van een zwakke pion.

Een oude schaakpartij echt kopiëren lukt nooit en geeft ook geen echte bevrediging. Je wil als schaker toch zelf iets bedenken en creëren. In dat opzicht was de tentoonstelling van Frans Hals misschien nog wel interessanter. De modernen kopieerden niet alleen letterlijk zijn werk, maar, belangrijker nog, gebruikten elementen van zijn stijl voor hun eigen werken. Bij de ene schilder was dat het kleurgebruik, bij de ande de manier waarop kinderen werden geportretteerd. Zelfs de eerste fotografen lieten zich inspireren door Frans Hals. Op deze wijze kunnen ook de oude schaakmeesters ons tijdens een partij blijven inspireren. Niet zozeer door een exacte kopie, maar doordat je denk “Hee, deze stelling lijkt op een partij die ik eerder heb gezien”. Op deze wijze blijven de oude meesters ook in de huidige schaakpartijen zichtbaar. In feite gebeurt dit altijd, omdat de strategische ideeën voortbouwen op ideeën uit het verleden. In dat opzicht lijkt schaken op kunst. Altijd vernieuwend, altijd in gesprek met het verleden.

Schrijf reactie (0 Reacties)

Wereldkampioen: een vreemd beest

Aan het wereldkampioenschap voetbal valt nauwelijks te ontsnappen. Ondanks dat Nederland niet mee doet, staan kranten, radio en tv er bol van. Toch is het eigenlijk een merkwaardig toernooi. Je zou zeggen dat de winnaar van deze wedstrijd de beste ter wereld is. Dat is bij het WK-voetbal aantoonbaar niet het geval. Waarom zijn deze toernooien dan toch zo populair?

Bij het schaken is de situatie duidelijker. De wereldkampioen is meestal ook de sterkste schaker van het moment. Maar dit leidt toch tot de vraag: wanneer ben je de sterkste schaker. Het wereldkampioenschap wordt beslist in een match over 12 wedstrijden tussen 2 spelers. Het spelen van een match is wezenlijk anders dan het spelen van een toernooi. Bij een toernooi moet je omgaan met verschillende stijlen en spelers van verschillende sterkte. Bij een match kan jij je prepareren op een bepaalde tegenstander.

We willen bij iedere sport weten wie de beste is. Het is de vraag of het spelen van één toernooi of match antwoord geeft op deze vraag. Bij het tennis heeft men bij mijn weten helemaal geen WK en toch weet iedereen wie de beste speler van het moment is. Bij het schaken zouden we net zo kunnen werken als bij het tennis. Schaakspelers hebben allemaal een elorating. De plek op de ratinglijst, zeker als een wat langere periode wordt bekeken geeft waarschijnlijk een betere indicatie wie de beste speler is. De wk-match is bij het schaken een beetje een reliek uit het verleden. Vroeger waren er maar een paar toernooien per jaar en wist je niet binnen een minuut wat er in de VS op schaakgebied was gebeurd. Dan heeft een WK meerwaarde.

Welbeschouwd is een wereldkampioen een beetje een vreemd beest. Wat je nu precies bent als je het toernooi gewonnen hebt is onbekend. En toch zit je op het puntje van de stoel bij het WK-voetbal en volgen schakers enthousiast de match tussen Carlsen en Caruana. Dit komt toch omdat het kampioenschap niet ieder jaar wordt vergeven. Bij het voetbal is het kampioenschap ééns in de vier jaar. Bij het schaken tegenwoordig eens in de twee jaar, maar de uitdager moet wel een zware cyclus doorlopen. Het moeizame pad en het geringe aantal mogelijkheden om te winnen zorgen voor dramatiek als het niet lukt en dolle vreugde bij winst. Wereldkampioenen zijn vreemde beesten, maar wel schaarse beesten. Daarom zijn deze kampioenschappen zo in trek.

Schrijf reactie (0 Reacties)
2019  Schaakvereniging Voorburg