Terug in de tijd

Zittend voor de televisie, raakte ik in een nostalgische en mijmerende stemming. Een documentaire (Closing gambit: Korchnoi versus Karpov and the Gremlin) over de WK-match tussen Anatoly Karpov en Victor Korchnoi in 1978 werd uitgezonden. Een tijd dichtbij, en toch zo ver weg. Een tijd van de koude oorlog tussen de communistische landen onder leiding van de Sovjet Unie en de Westerse landen onder leiding van de Verenigde Staten. Een tijd waarin de WK-matches, juist vanwege de politieke lading, wereldnieuws waren. Een tijd waarin de winnaar van de WK-match schaken meer verdiende dan de winnaar van het tennistoernooi Wimbledon. Het verleden is een ander land, dat blijkt maar weer.

De match tussen Karpov en Korchnoi had alles wat een sportwedstrijd aantrekkelijk maakt. Twee schakers met een verschillend temperament en speelstijl. Korchnoi, de vechter, creatief en op zijn best in moeilijke en chaotische stellingen. Karpov, klinisch, berekenend en methodisch. Kortsnoij, naar het westen gevlucht en met een klein team opereren. Karpov: de “comming man” en de lieveling van de machthebbers, ondersteund door een heel schaakapparaat. Daarbij een bloedstollend scoreverloop. Karpov stond met 5-2 voor, maar Korchnoi wist op te halen tot 5-5. Uiteindelijk wist Karpov met 6-5 te winnen.

De match werd niet alleen op maar ook naast het schaakbord gespeeld. Psychologische oorlog speelde een grote rol. Protesten over de gebruikte vlag, kleinzielige dingen als het elkaar geen hand willen geven, protesten over de kleur van de bekertjes Yoghurt, de inzet van parapsychologen en Boeddhistische monniken: alles wordt gebruikt om te winnen. Belangrijke functionarissen in de schaakbond zijn ook KGB-agent. In de documentaire komen een groot aantal topschakers aan het woord (Kasparov, Anand, Kramnik, Timman, Short, om er maar enkele te noemen). Hun commentaar laat goed zien hoe belangrijk het psychologische aspect in een schaakmatch is. Schijnbaar kinderachtige dingen kunnen een speler behoorlijk uit zijn evenwicht brengen.

De documentaire had vaart en was boeiend, maar gaandeweg voelde ik ook wat ontevredenheid opborrelen. Allereerst dacht ik “wat zou een niet-schaker hier nou van vinden”. Voor de inzet en de moeilijkheden van Korchnoi (hij groeide op in Leningrad, toen die stad werd belegerd door de Duitsers in WOII) heb je alle sympathie, maar hij komt ook over als een ruziezoeker met onaangename trekjes. Na de match verlaat de leider van zijn delegatie in ruzieachtige sfeer zijn team. Veel van de mensen die worden geïnterviewd behoren tot het Westerse kamp. We horen verdachtmakingen richting het Russische kamp en Karpov. Karpov spreekt dat tegen. Hoe het nu echt zit, is voor de kijker niet na te gaan. Uit de documentaire rijst een beeld op van een wereld van ruziezoekers, vol met politieke en sportieve machinaties.

Het slot van de documentaire is voor de schaakliefhebber het mooist. Korchnoi speelt na het WK gelijk de olympiade en haalt in dat toernooi een geweldige score. Wat een schaker! Korchnoi had als mens onaangename trekjes, maar hij hield van het schaken. Met al zijn energie zette hij zich aan een schaakpartij. Een voorbeeld voor iedere schaker. Bovendien bleek dat de antagonisten weer nader tot elkaar kwamen als de strijd was geluwd. Karpov en Kortsnoi werden geen vrienden, maar speelden wel in hetzelfde team en speelden samen bridget. Fijn voor de schaker. Als de politieke en persoonlijke spanningen verminderen, overwint de liefde voor het schaakspel.

2018  Schaakvereniging Voorburg